Archive for March, 2010

Alice, buitenstaander of heldin in Wonderland?

March 27, 2010

Toegegeven: de decors zien er fantastisch uit en de 3D-effecten zijn ook geweldig (ik kan niet zeggen in vergelijking tot wat, want dit was voor mij de 1e keer dat ik een 3D-film zag). Maar het script van deze coming-of-age bewerking is een regelrechte verkrachting van Lewis Carroll’s boek uit 1865. Tim Burton’s Alice in Wonderland 3-D is dan ook geen verfilming van Alice’s Adventures in Wonderland (1865), maar een remake van de Disney-animatie uit 1951, toen de Koude Oorlog volop aan de gang was en Amerika in de ban was van het McCarthyisme en de Red Scare (de Amerikaanse versie van de Culturele Revolutie). Deze moralistische coming-of-age animatie (Alice is hier 19, i.p.v.8 jaar) staat zo bol van de 3D-actie dat de personages en Carroll’s spel met taal en logica er maar wat bij hangen. Het script voor Burton’s Alice in Wonderland is geschreven door Disney-scenariste Linda Woolverton, en voldoet geheel aan de Disney-formule en het profiel van de doelgroep: de Amerikaanse tiener. In tegenstelling tot Carroll’s boek, is het Disney/Burton-verhaal een klassieke strijd tussen good and evil. Het kwaad wordt belichaamd door een totalitaire koningin die met ijzeren hand regeert door haar onderdanen, haar hoflieden, en haar rode leger (!) angst in te boezemen onder het motto: “It’s better to be feared than loved“. (Burton/Disney heeft voor het moralistische rijmpje van Bates gekozen om de koningin te portretteren, en Carroll’s parodie erop totaal genegeerd). De goede partij is de witte koningin (uit: Through the Looking Glass and What Alice Found There, 1872), die Alice moet bevrijden van het kwaad. Verwees de animatiefilm uit 1951 naar het Soviet-regieme, de 3D versie uit 2010 lijkt de verwijzen naar de enemies of freedom uit ons post-Koude-Oorlog-tijdperk (Iran, Noord-Korea, China). Uiteindelijk overwint Alice het kwaad door het geloof in haar sociale plicht om het beste uit zichzelf te halen, het schier-onmogelijke te denken en streven naar de realisatie daarvan, en zo het goede te laten zegevieren over het kwaad.

Carroll’s oorspronkelijke boek (Alice In The Underworld, 1865) daarentegen was een maatschappij-kritisch verhaal over de strijd voor integriteit die de jeugd moet leveren in een streng moralistische maar tevens dubbelzinnige en hypocriete maatschappij. Wonderland is geen droom, maar staat symbool voor het Engeland onder koningin Victoria (Wonderland is dan ook een monarchie). Zoals alle samenlevingen waar zaken die als immoreel gelden (taboe zijn) publiekelijk ten schande gemaakt worden, en waar betrokkenheid bij immoreel gedrag iemands reputatie om zeep kan helpen, was Victoriaans Engeland behoorlijk schizofreen en hypocriet. Aan de oppervlakte golden er de hoogste zedelijke en morele standaarden, maar vlak onder de uiterlijke schijn was een subcultuur ontstaan waarin gerespecteerde burgers zich immoreel konden gedragen, zonder dat dit consequenties had voor hun reputatie; zolang er maar geen ruchtbaarheid aan werd gegeven. Gokken, prostitutie, en drugsgebruik waren wijdverbreid (in 5 van de 6 huishoudens werd opium gerookt, waaronder Carroll zelf), en deze schizofrenie zien we terug in Wonderland. In zijn beschrijving van de sociale werkelijkheid vanuit het oogpunt van de keurig opgevoede Alice, zijn volwassenen wreed, kinderachtig, onverantwoordelijk, impulsief en zelfgenoegzaam. Carroll hekelde dan ook het pedagogisch moralisme van zijn tijd waarin kinderen opgezadeld werden met een onrealistisch beeld van het leven en een maatschappelijke verwachting waaraan volwassenen nog niet eens konden voldoen.

Carroll’s Alice in Wonderland gaat over een 8-jarig meisje met een filosofische nieuwsgierigheid, dat met een kritische blik naar de wereld om zich heen kijkt;

“ready to accept the wildest impossibilities with all that utter trust that only dreamers know; and curious, wildly curious, and with the eager enjoyment of Life that comes only in the happy hours of childhood, when all is new and fair, and when Sin and Sorrow are but names; empty words signifying nothing…”

Tegelijkertijd is Alice een product van haar tijd: ze is beleefd, een beetje betweterig, en heeft een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Maar ze is ook op de leeftijd dat ze vragen begint te stellen over de dingen die ze geleerd heeft, en de ongerijmdheden en hypocrisie van het gedrag van de wezens in Wonderland (de wereld der volwassenen). Ze zit daardoor voortdurend gevangen in een conflict tussen de leefregels die haar zijn aangeleerd (hoe de dingen wel of niet zouden moeten zijn), en de realiteit van Wonderland. Ze stelt voortdurend vooroordelen en onrechtvaardigheid aan de kaak, trekt als vanzelfsprekend geaccepteerde ongerijmdheden in twijfel, en neemt geen genoegen met een onbevredigend antwoord. (vgl: Hans Christian Andersen: De nieuwe kleren van de Keizer). M.a.w: Alice bevindt zich tussen de kinderlijke wereld van vrijheid, spontaniteit en fantasie, en de wereld van de volwassen met alle voor vanzelfsprekend aangenomen waarheden, sociale pressie en hypocrisie die daar bij horen. In Wonderland strijdt ze tegen de hypocrisie en ongerijmdheden van de wereld van de volwassen, en probeert ze te onderscheiden tussen “zin” en “onzin“. Alice staat open om nieuwe dingen te leren, maar dat betekent ook dat ze orde in de chaos wil creëren. Taal, logica, orde, etiquette, en respect zijn terugkerende elementen waarmee Alice worstelt in het vinden van haar identiteit. Carroll’s versie is in die zin, behalve een maatschappij-kritisch boek, ook een proto coming-of-age verhaal. De moraal ervan is echter 180° tegenovergesteld aan die van Disney/Burton.

Alice laat toe dat de vreemde wezens die de surrealistische wereld van Wonderland bevolken, haar commanderen en vertellen hoe zich te gedragen. Ze is onderworpen aan de vreemde regels van Wonderland, en krijgt het gevoel dat ze de hele tijd van alles verkeerd doet, zonder te begrijpen waarom. Carroll schetste hiermee zijn visie op de strikte maar tegelijk dubbelzinnige en hypocriete Victoriaanse moraal; met name in de opvoeding van kinderen (kinderen waren leuk om naar te kijken, maar niet om naar te luisteren). Alle dingen en mensen hadden hun rol en status, en het was aan de heersende machten om de sociale rolverdeling duidelijk te houden. Alice laat zich commanderen en beïnvloeden, niet omdat ze zelf geen mening heeft (integendeel), maar vanwege de vreemdheid en onvoorspelbaarheid van de situaties waar ze in beland laat ze zich inpalmen. Ze heeft in haar opvoeding niet geleerd hoe te handelen in een dubbelzinnige en onvoorspelbare wereld: haar wereld is logisch en gestructureerd. Daarom voelt ze zich niet veilig in Wonderland, en behoudt ze een zekere reserve en afstand. Ondanks het feit dat ze geleefd wordt, en zij zelf ook best enige invloed heeft op de gang van zaken in Wonderland, gaat ze er nooit in op: ze is een geïnteresseerde en geëngageerde getuige, een voorbijganger die zich niet compromitteert. Dit in tegenstelling tot Burton/Disney’s Alice, die de messianistische taak aanvaart om de wereld te redden, en zo haar roeping ontdekt. Haar ervaringen in Wonderland zijn een inwijdingsrite, een test van commitment, waar ze met glans voor slaagt.

Carroll’s Alice daarentegen is een kind dat verdwaald is in de onderbuik van Wonderland. Ze is verward, gefrustreerd, en terwijl ze wel geïnteresseerd is in wat er om haar heen gebeurt, begrijpt ze er steeds minder van. Ze probeert orde aan te brengen in de chaos, en zin te geven aan het onzinnige, maar door het gebrek aan strucuur en betekenis zwerft ze door Wonderland in verwarring. En hoe langer ze daar is, hoe liever ze er uit wil. Vanaf het moment dat ze in het konijnenhol valt bevindt ze zich in een wereld die ze niet begrijpt: de grond is letterlijk onder haar voeten weggetrokken, en ze kan haar evenwicht niet meer hervinden. Tegen het einde van het verhaal realiseert ze zich dat ze de touwtjes in eigen hand moet nemen, leiding moet geven aan de gebeurtenissen, wil ze kunnen dealen met deze wezens, en de controle over haar lot terugwinnen. Door haar besef dat de soldaten die achter haar aan zitten slechts kaarten zijn uit een spel, werpt ze de machtsstructuur omver, en ontsnapt ze uit Wonderland.

Carroll’s Wonderland is geen droom, maar verwijst naar het illusoire karakter van de sociale realiteit. Deze realiteit is de repressieve en hypocriete illusie die de moraal van de status-quo oplegt aan alle leden van de samenleving. Vijand van deze illusie zijn de kinderlijke fantasie en mind altering drugs (zoals de door Carroll’s gebruikte opium). Dit roept sterke associaties op met een keur aan (post)structuralistische schrijvers, waaronder Nietzsche, Foucault, Chomsky en Burroughs. Een passage uit The Soft Machine van laatstgenoemde:

“He took out some dried mushrooms and herbs and began cooking them in a clay pot. […] I drank the bitter medicine and almost immediately the pictures I had seen of Mayan artifacts and codices began moving in my brain like animated cartoons […] I felt a strange vertigo which I recognized as the motion sickness of time travel […] As I stepped forward into the clearing and addressed one of the workers, I felt the crushing weight of evil insect control forcing my thoughts and feelings into prearranged molds, squeezing my spirit in a soft invisible vise. The worker looked at me with dead eyes empty of curiosity or welcome and silently handed me a planting stick […] I have explained that the Mayan control system depends on the calendar and the codices which contain symbols representing all states of thought and feeling possible to human animals living under such limited circumstances. These are the instruments with which they rotate and control units of thought. I found out also that the priests themselves do not understand exactly how the system works […] Using the drug the doctor had given me, I took over the priest’s body, and gained access to the room where the codices were kept. […] Smash the control images, smash the control machine, burn the books, kill the priests! […] Inexorably as the machine had controlled thought feeling and sensory impressions of the workers, the machine now gave the order to dismantle itself and kill the priests. […] You see the priests were nothing but word and image, an old film rolling on and on with dead actors. […] Tidal waves rolled over the Mayan control calendar.” (William Burroughs: The Soft Machine (1961); ch. 7: The Mayan Caper)

Burroughs’ beschrijving van de hiërarchische en repressieve Maya-samenleving heeft een aantal kenmerken die overeenkomen met Carroll’s beschrijving van Wonderland:
– het hallucigene aspect van de beschreven wereld, die model staat voor de maatschappij,
– de beïnvloeding van het denken van de hoofdpersoon door vreemde wezens (burgers),
– het gebrek aan nieuwsgierigheid, openheid en kritisch denken van deze wezens (burgers),
– het repressieve aspect van taal, symbolen, ideeën, sociale conventies en geloofsystemen,
– het uiteindelijke inzicht dat die sociale werkelijkheid een illusie is, die bestaat bij de gratie van het geloof in de taal en symbolen.

Volgens Burroughs is The American dream als de Maya-cosmologie:

“America is not so much a nightmare as a non-dream. The American non-dream is precisely a move to wipe the dream ot of existence. The dream is a spontaneous happening and therefore dangerous to a control system set up by non-dreamers.”

Amerikanen zijn practical dreamers, zoals Disney/Burton’s Alice in Wonderland illustreert. Zowel de moraal van de film, als het concrete resultaat, komen over als een non-dream, als een protocol, als meer van hetzelfde: “an old film rolling on and on with dead actors.” Misschien omdat Burton al 30 jaar hetzelfde soort films maakt met dezelfde mensen, en Disney nog veel langer, maar waarschijnlijk ook vanwege een Victoriaanse erfenis die zijn neerslag heeft gehad op de Amerikaanse psyche. Net zo is volgens Carroll de Victoriaanse moraal als Wonderland: het is geen droom, maar een maatschappelijke structuur, gelegitimeerd door een hypocriete moraal, waar een enorme sociale druk vanuit gaat. Carroll’s oorspronkelijke titel (Alice In The Underworld) verwijst naar de maatschappelijke realiteit onder de uiterlijke schijn van oppervlakkige moraal. Alice ervaart dat haar ideeën over waarheid, realiteit, rechtvaardigheid en logica niet stroken met de sociale conventies in Wonderland. Maar i.p.v. zich daar aan aan te passen, en zich te laten ronselen voor een strijd van goed tegen kwaad, verzet ze zich, en kiest ze haar eigen pad. Sommige scholen verboden het boek vanwege deze subversieve strekking (alsmede “slecht taalgebruik, verwijzingen naar sexuele fantasieën, en neerbuigende beschrijvingen van onderwijzers en religieuze ceremonies”).

Het Disney/Burton verhaal daarentegen is júist een verbeelding van die oppervlakkige moraal, en ontbreekt het aan elke zelf-reflexie en maatschappijkritiek. Het is in feite een gecensureerde versie van Carroll’s verhaal (Alice eet natuurlijk niet van de paddestoel!), en zo herschreven dat het juist tot het soort moralistische propaganda is verworden dat Carroll zo hekelde. Carroll’s Alice zou, net als het kind in De Nieuwe Kleren van de Keizer (Hans Christian Andersen ), roepen: “De Disney/Burton 3D-versie loopt in z’n blootje!” Burton geeft dan ook toe in Blast Magazine dat hij “never really felt any real emotional connection to Alice in Wonderland; it was always a girl wandering around from one crazy character to another.” Het nieuwe script moest “some framework of emotional grounding” bieden, “to try and make Alice feel more like a story, as opposed to a series of events.” Dit “framework of emotional grounding” heeft dus geresulteerd in een één-dimensionale moralistische les: “Ontdek je roeping, en ga d’r voor!” In de laatste scene zien we hoe Alice lering heeft getrokken uit haar omzwervingen, volwassen is geworden, en haar kinderlijke dromen heeft verruild voor The American Dream: een carrière in de globale handel en kolonialisering van de wereld.

Alice @ the Tea Party

Joods-christelijke traditie? “Where you stand depends on where you sit”

March 15, 2010

Naar aanleiding van:
* de opstanden in Jeruzalem en de reactie van Joe Biden n.a.v. de bouw van 1600 woningen op bezet gebied (maart 2010),
* de lezing van Dries van Agt (11-3-2010, Groningen),
* het boek The Holocaust is over; we must rise from its ashes (december 2009) van Avraham Burg.

Vanaf de Diaspora tot aan WO2 was het Jodenvraagstuk een kwestie die Europa (niet alleen Duitsland) bezighield. De Nazi’s hielden er hun eigen oplossing op na, maar de rest van (christelijk) Europa (inclusief een groot deel van de joodse gemeenschap) had al vanaf het eind van de 19e eeuw een ander plan: een Joodse staat ergens buiten Europa. Sinds de jaren ’80 van de 20e eeuw worden we steeds meer geconfronteerd met een ander vraagstuk: de Palestijnse kwestie. Maar een eindoplossing hiervoor lijkt steeds verder uit zicht.

Anti-semitisme is diep geworteld in de westerse cultuur. Joden in west- en oost-Europa (en Rusland) kennen een geschiedenis van discriminatie en vervolging. De dominante religie van het westen (het christendom) heeft de Jodenhaat door de eeuwen heen tot geloofsartikel gemaakt. Zelfs voor het protestantisme, dat zich van Rome had afgekeerd, bleven de joden prime evil. Curieus, aangezien Jezus zelf jood was. Amerikaanse gospel en country-blues staan vol verwijzingen naar “the river Jordan”, “the land of Kanaan”, “the Man from Galilei”, “Beulah Land”, etc., en een christelijke maar anti-semitistische beweging als the KKK stelt: “To be a Klansman […] to give your heart and mind to the truth of Christ and Yahweh” (Yahweh is de god van de joden).

Het algemeen gangbare verhaal (waarvoor sluitend historisch bewijs overigens ontbreekt) is dat Jezus de leider van een joodse sekte was. Hij werd gewantrouwd en verguist (net als als Bhagwan en Jomanda in ons tijdperk) door de meerderheid van zijn volksgenoten; Maar ook door de Romeinen, die het gebied hadden gekoloniseerd, en die een gevaar in zijn groeiende aanhang zagen. Dus hebben de Romeinen hem aan een paal getimmerd. Een paar honderd jaar later (eind 4e eeuw) echter geloofden de Romeinen dat diezelfde Jezus, die ze 32 jaar na zijn geboorte ter dood hadden gebracht, de Verlosser en Zoon van God was, en dat Judas de smeerlap was die hem verraden heeft. Dat hebben de Roomse christenen de joodse Judas, en daarmee alle joden, “die de heer Christus en de profeten vermoord hebben” (zoals te lezen valt in het Nieuwe Testament), nooit vergeven. Kerkvaders als Augustinus, Justinus de Martelaar, Johannes Chrysostomus, Cyprianus, Cyrillus van Alexandrië, Efrem Syri, Paus Clemens VIII, Thomas van Aquino en Martin Luther predikten daarom anti-semitisme, en meenden dat de joden moesten lijden onder het feit dat zij Jezus vermoord hadden. Dat het de Romeinen waren die Jezus om zeep geholpen hadden, en de Joodse Tempel en Jeruzalem met de grond gelijk hadden gemaakt, waren ze gemakshalve even vergeten.

Onder meer door de vorming van nieuwe natie-staten groeide het anti-semitisme in Europa sinds halverwege de 18e eeuw en gedurende de 19e eeuw. Velen (waaronder Marx) waren tegen assimilatie van de Joden, zij het vanwege hun religieuze achtergrond, etniciteit, of vermeende gierige kapitalistische aard. Sinds 1880 vluchtten veel joden voor de pogroms in Rusland en oost-Europa naar de V.S. en west-Europa, wat het anti-semitisme hier verder aanwakkerde. Tegen het eind van de 19e eeuw leken anti-semieten en delen van de joodse gemeenschap (o.l.v. Theodor Herzl), onafhankelijk van elkaar, toch een gezamenlijke oplossing te hebben gevonden voor het joodse vraagstuk: een Joodse staat ergens buiten Europa. Argentinië leek de anti-semieten een goede plek voor de joden (heel ver weg in een leeg en onherbergzaam land), maar de zionisten herinnerden zich dat God hen een stuk land genaamd Kanaän (of: Erets Jisrael) had beloofd (Genesis 15:18-21) ergens tussen de Nijl en Syrië; het zionisme was geboren.

Tussen 1844 en 1880 was de joodse bevolking in Palestina geleidelijk gegroeid van 17.000 naar circa 25.000 (tegenover een Arabische bevolking van ongeveer 425.000). Rond 1882 begon een 1e grote golf van ongeveer 35.000 immigranten naar Palestina te trekken; vanaf 1904 volgde een 2e golf van zo’n 40.000 immigranten. Na WO1 viel het Ottomaanse Rijk uiteen en werd Palestina een protectoraat onder Brits mandaat, toegewezen door de Volkerenbond. De Verklaring van Balfour van 1917 was het begin van het drama dat zich nu nog voortsleept. In de jaren na het verdrag van Versailles leefde het anti-semitisme opnieuw op. In Duitsland leidde de vernedering door de geallieerden en de herstelbetalingen tot haat tegen alles wat niet Duits was, en de joden waren de eerste de beste grote minderheid die het te verduren kreeg. Hierdoor kregen de Palestijnen te maken met een “joodse tsunami“: tussen 1918 en 1929 kwamen er circa 123.000 immigranten in Palestina aan. De bijna 250.000 joden die vervolgens in de jaren ’30 arriveerden waren veelal vluchtelingen uit Nazi-Duitsland, Polen en de Sovjet-Unie. Na het instellen van de Britse immigratie-restricties (1939) vluchtten er nog ongeveer 80.000 mensen illegaal naar Palestina (mede omdat de meeste Europese landen, waaronder Nederland, joodse vluchtelingen weerden).

De positie van Rome was in de aanloop naar, en tijdens WO2, net zo anti-semitisch als voorheen. Afgezien van religieuze motieven, wordt het anti-semitisme van de katholieke kerk veelal verklaard vanuit opportunisme. Ten eerste zag Rome de groeiende macht van nazi-Duitsland en haar bondgenoten, en wilde die te vriend houden. Aartsbisschop Karol Kmetko verklaarde nog in 1942: “Jullie zullen niet alleen gedeporteerd worden; jullie zullen worden gedood. Dit zal jullie straf zijn voor het vermoorden van onze Verlosser”. Ten tweede speelde de kerk in op sentimenten van de achterban, zoals ze dat ook deed in overzeese gebieden; daar werden lokaal aanbeden goden opgenomen in het pantheon (veelal door ze te identificeren als een of andere katholieke heilige), omdat het katholicisme dan beter aan bleek te slaan.

Na WO2 is de westerse Jodenhaat omgeslagen in schaamte en medelijden (afgezien van kleine groeperingen die als “extreem rechts” te boek staan; wat anti-semitisme dan ook maar met rechts te maken mag hebben: de V.S. als federale staat zijn niet anti-semitisch, maar Marx was dat wel). Na een aantal terroristische aanslagen die de joden pleegden tegen de Britten (zoals de bomaanslag in het Koning David-hotel, waarbij 91 personen omkwamen) besloot Groot-Brittannië het mandaat over Palestina in 1947 terug te geven aan de VN (opvolger van de Volkenbond), toen nog maar uit een relatief klein aantal (51), voornamelijk westerse landen bestaand (de geallieerden), die zich mede-verantwoordelijk voelden voor het lot dat de joden hadden ondergaan in Europa. Na een halve eeuw immigratie was de verhouding joden/Palestijnen nog steeds respectievelijk 30%-70%. Toch namen de VN in november 1947 verdelingsplan aan dat Palestina opdeelde tussen een joods (55%) en een Arabisch gebied (42%), alwaar de Palestijnen en hun Arabische bondgenoten geen genoegen mee namen.

Te midden van een burgeroorlog verlieten de Britten het mandaatgebied, en riep Ben-Gurion op 14 mei 1948 de staat Israël uit, zonder echter de grenzen ervan aan te geven; Israëlische troepen waren onderwijl bezig deze grenzen op te zoeken en te verleggen. Een half uur na Ben-Gurion’s onafhankelijkheidsverklaring werd Israël door president Truman erkend, maar niet door de Verenigde Naties. Vier maanden later werd VN-bemiddelaar, graaf Folke Bernadotte, door joodse terroristen vermoord. Tijdens de Nakba (1947-1949) hebben Israëlische militairen 500 Palestijnse dorpen geëvacueerd cq. vernietigd, resulterend in 700.000 Palestijnse vluchtelingen. Toen Israël 78% van het voormalige Palestina had veroverd, kwam het in 1949 tot een wapenstilstand. Pas toen erkenden de VN de staat Israël (resolutie 273), en begonnen de wapenleveranties door zowel de Sovjet-Unie als de V.S. (alsmede hun beider bondgenoten).

Bij de uitroeping van de staat Israël woonden er 650.000 joden in het gebied. Daarna volgde een grote immigratiegolf uit Arabische landen, waardoor de joodse bevolking binnen enkele jaren verdubbelde. De Wet op de Terugkeer (1950) garandeerde alle joden ter wereld vrije toegang tot Israël. Sindsdien bleven jaarlijks tienduizenden vanuit allerlei continenten naar Israël komen, geholpen door de Israëlische regering en zionistische organisaties in de diaspora. Na de Zesdaagse Oorlog van 1967 verloren de Palestijnen de overige 22% van hun land, en veroverde Israël daarbij de Sinaï en de Golan. Daarna volgden nog de Uitputtingsoorlog (1968-1970), de Jom Kippoeroorlog (1973), Operatie Litani (1978), en de 1e Libanon-oorlog (1982). In de jaren ’70 en vooral de jaren ’90 immigreerden in totaal 840.000 joden uit de (voormalige) Sovjet-Unie naar Israel, en in 1984 en 1991 werden duizenden Ethiopische joden naar Israël gehaald. Van niet-joden (dus vooral de Palestijnen) eist Israel niet alleen erkenning als onafhankelijke staat, maar erkenning als joodse staat. In 1975 bepaalde de Algemene Vergadering (VN-resolutie 3379) dat zionisme een vorm van racisme is, maar trok deze onder druk van de V.S. in 1991 weer in (resolutie 4686):

“To equate Zionism with the intolerable sin of racism is to twist history and forget the terrible plight of Jews in World War II and indeed throughout history.” (G. Bush sr.)

Avraham Burg stelde voor om de Wet op de Terugkeer uit 1950 aan te passen:

“To define the State of Israel as a Jewish state is the key to its end. A Jewish state is explosive. It’s dynamite.” (interview in Haaretz, 2007) “Israel, having ceased to care about the children of the Palestinians, should not be surprised when they come washed in hatred and blow themselves up in the centers of Israeli escapism.” (artikel in Yedioth Ahronoth, 2003)

De jaren ’80 werden gekenmerkt door de bouw van joodse nederzettingen in de gebieden waar de Palestijnen waren geconcentreerd, en daarmee gepaard gaande militarisering en uitbreiding van checkpoints. Als reactie daarop begon de 1e Intifada (1987-1993). Volgens internationale verdragen is gewapend verzet tegen bezetters toegestaan, maar niet tegen burgers van de bezettende macht. De vraag is of de gewapende “settlers” (kolonisten) in de nederzettingen op bezet gebied vallen onder “burgers”. Tijdens deze Intifada zijn er 10 keer zoveel Palestijnse als Israelische slachtoffers gevallen (tegen een gemiddelde van 5:1). In 1988 riep de PLO een onafhankelijke Palestijnse staat uit, maar deze is nooit erkend. De Oslo-akkoorden (1993) moesten hoop geven, maar waren in feite het doodvonnis voor een 2-staten-oplossing: de grenzen van de te vormen staten waren niet vastgelegd, en de bouw van joodse nederzettingen ging (en gaat) onverminderd door.

Nadat duidelijk werd dat de Oslo-akkoorden niets opgeleverd hadden brak met het bezoek van Sharon aan de Tempelberg de 2e Intifada uit (2000-2005). In de periode 1967-2002 heeft Israël 28 á 32 VN-resoluties genegeerd. Desondanks werd in 2002 werd begonnen met de bouw van “de muur”, deels op bezet gebied; dit om joodse burgers te beschermen, maar vooral ook om op bezet gebied gebouwde nederzettingen in te lijven. In 2004 verklaarde het Internationaal Gerechtshof de muur illegaal, en werd geëist dat Israël zou stoppen met de bouw, en het reeds gebouwde deel zou worden afgebroken. Dit heeft Israël slechts ter kennis aangenomen, net als veroordelingen van het nederzettingenbeleid. Het lijkt erop dat Israel alleen is geïnteresseerd in onderhandelingen en vrede als alle partijen zich voegen naar de wensen van Israel. En dat doen de partijen uiteindelijk ook: de Palestijnen omdat omdat ze geen enkele macht hebben, het Westen omdat ze niet het lef hebben hun de steun voor Israel voorwaardelijk te maken.

Anno 2010 wonen er in Gaza 1.500.000 Palestijnen op een gebied 2 keer zo groot als Tessel, zonder beschikking over bestaansmiddelen en dus compleet afhankelijk van de buitenwereld. De 2-staten-oplossing is eigenlijk geen optie meer, aangezien Israël het land zo heeft opgedeeld dat er geen plaats meer is voor een levensvatbare Palestijnse staat: het laat zich omschrijven als een open-air-prison. En de de recente besluiten om nieuwe woonwijken te bouwen op bezet gebied wekken de indruk dat Israel niet geïnteresseerd is in een 2-staten oplossing. Deze situatie is niet sustainable, en betekent uiteindelijk ook het failliet van de staat Israël. Er wonen momenteel zo’n 500.000 kolonisten op bezet gebied (West-Bank & oost-Jeruzalem), maar Palestijnen mogen maar zeer beperkt, en alleen onder strenge voorwaarden, Israël in. In december 1997 duurde het mij ongeveer een uur om de grens bij Jericho over te komen, maar in november 2009 duurde het me een dikke 5 uur om de grens naar Ramallah over te komen. Voor mijn Nederlandse medereizigster, met Nederlands paspoort, en met Armenische achtergrond, maar geboren in Palestina, duurde het nog langer. Zij moest haar Nederlandse paspoort inleveren, een Palestijnse ID aanvragen, in Ramallah blijven totdat deze haar toegekend werd en tegen betaling kon afhalen. Ze kreeg de mededeling dat ze in de toekomst alleen nog Israël in kon op haar Palestijnse ID, wat betekent dat ze haar Armeense familie in Israël nooit zal kunnen bezoeken.

Het westen (de christenen) zijn al eeuwen bezig met het oplossen van het Jodenvraagstuk, en die leek met het zionisme gevonden. Het is dan misschien ook wel wat veel van hen gevraagd om hier op terug te komen, en te erkennen dat het steunen van het zionisme (en bijgevolg van de staat Israël) eigenlijk helemaal geen oplossing is, omdat de wereld daardoor nu met een Palestijnse kwestie zit. Liever benadrukken ze daarom de joods-christelijke traditie. Deze term moet een lange geschiedenis van discriminatie en vervolging verbloemen, en krijgt gestalte in deelname van Israël aan het Eurovisie songfestival, het EK voetbal, etc. Men wilde het begrip zelfs in de aanhef van de Europese grondwet (2005) vastleggen; juist in een tijd dat er veel niet-christenen (en dan m.n. moslims) in Europa wonen, de christelijke kerken leegstromen, en de verhoudingen tussen het westen en de islamitische wereld op scherp staan (o.m. vanwege Israël)! Vanuit religieuze optiek is het argument dat joden en christenen beide monotheïstische religies zijn, beide ontstaan zijn in het Midden-Oosten, beide dezelfde God aanbidden, en beide het Oude Testament als uitgangspunt nemen. Volgens deze redenering zouden we moeten spreken over een joods-christelijke-islamitische traditie; moslims spreken dan ook over “ahn-al-kitab” (mensen van het Boek). Maar waarom zouden we dat de hindustanen, Chinezen, en niet te vergeten de atheïsten aandoen? Waarom niet gekozen voor de Verlichting (Montesquieu, Voltaire, Mill) als grondslag? Nou, omdat het christendom nog steeds de scepter zwaait!

De joods-christelijke traditie is meer een propaganda-instrument dan een historisch gegeven. Wel is er een Israëlisch-Westerse traditie: immers meer dan 90% van de Israëli’s zijn (of stammen af van) immigranten uit Europa of de V.S. Het gaat dus meer om een politiek verbond gebaseerd op gedeelde belangen, dan een traditie gebaseerd op gedeelde religieuze en culturele waarden. En die gedeelde belangen liggen in onze behoefte om ons schuldgevoel af te kopen en een trouwe bondgenoot te hebben in het midden-oosten, en in de behoefte van Israel aan steun voor hun zionistische beleid. Op die basis is er maar weinig dat Israel niet kan maken; het gedraagt zich dan ook ook als een mishandeld en gewetenloos kind dat voortdurend zijn pleegouders chanteert om zijn zin door te drijven, ten koste van anderen. En wij ons maar, samen met de Amerikanen, afvragen: “Why do they hate us?” Wij hebben, met onze zgn. joods-christelijke traditie, van óns probleem, een probleem van velen gecreëerd: de Palestijnse kwestie speelt dwars door allerlei internationale kwesties heen. Joe Biden reageerde op de bouw van 1600 nieuwe huizen in bezet gebied met:

“This is starting to get dangerous for us. What you’re doing here undermines the security of our troops who are fighting in Iraq, Afghanistan and Pakistan. That endangers us and it endangers regional peace.” (in: Yedioth Ahronoth, 15-3-2010)

De (op)positie van de Palestijnen en Arabieren is een stuk eenvoudiger uit te leggen dan de zgn. joods-christelijke positie. Maar voordat de lezer nu de Holocaust-kaart speelt, wil ik duidelijk stellen dat dit geen anti-semitisch stuk is. Wel heb ik kritiek op het zionisme, in de zin dat Israël tot op de dag van vandaag joodse immigratie naar het overbevolkte gebied stimuleert, terwijl de situatie van de Palestijnen in de bezette gebieden almaar verslechtert. Palestijnen zijn arabieren, en dus ook Semieten, en je zou het beleid van Israel jegens de Palestijnen dus anti-semitisch kunnen noemen. Maar vooral heb ik kritiek op onze (Nederlandse en Europese) steun aan het beleid van Israël. Of is het eigenlijk meer onze steun aan de V.S., die zich niet los kan weken van de enorm invloedrijke joodse lobby, alsmede de almaar groeiende invloed van conservatieve christenen? “Where you stand depends on where you sit.”

Een jongeman in Moskou, met wie ik (sinds mijn 1e artikel) wel eens online van gedachten wissel, heeft het regelmatig over Z.O.G. (Zionist Occupied Government). Zonder de ideeën van deze jongeman (ed88) in algemeenheid te onderschrijven, kan men zich afvragen in hoeverre het internationale beleid van het westen (de V.S. voorop) aanleiding geeft tot dergelijke ideeën. Wordt het geen tijd dat we stoppen om met 2 maten te meten? Om bondgenoten ontslaan van de verplichting om zich aan VN-resoluties te houden terwijl er blijkbaar geen VN-mandaat nodig is om islamitische landen te boikotten en desnoods binnen vallen. En natuurlijk is het vreselijk wat joden wereldwijd hebben moeten doorstaan de afgelopen eeuwen. Maar met hen zijn er nog talloze andere minderheden die in het verleden, maar ook vandaag de dag, te lijden hebben onder discriminatie en vervolging. Om met Avraham Burg te spreken: The Holocaust is over; we must rise from its ashes.

Voor een chronoloische weergave van de geschiedenis van Palestina klik hier

Ramallah, Israel, oct. 2009
Ramallah, Palestine © mirrormundo 2009

Terug naar de essentie; radicalisering vs. extremisme

March 9, 2010

Sommige woorden worden in de media zo steevast in combinatie met bepaalde andere (bijvoeglijke naam)woorden gebruikt, dat het lijkt alsof ze bij elkaar horen. Zo komt het woord moslim zo vaak voor in combinatie met extremisme of fundamentalisme of radicaal, dat je je zou gaan afvragen of het geen tautologie is om extremistische moslims te zeggen, net als nat water. Daarbij komt dat deze combinaties van begrippen exclusief is: als we iets willen zeggen over uitwassen binnen een ander geloof, dan worden daar andere woorden voor gebruikt. Zogenaamde Pro-Life activisten die artsen vermoorden vanwege het uitvoeren van abortussen heten gewoon conservatieve christenen, niet fundamentalistisch of extremistisch. Zo dienen woorden als extremistisch en radicaal dus een specifiek doel: de lezer/kijker te doordringen van het feit dat we het over de vijand hebben. Dit selectieve geassocieer leidt tot de gedachte: Radicaal is niet oké, toch?

Voor een antwoord hierop is de eerste vraag: wat is extremistisch? Extreem betekent “uiterst(e)”. Dit kan betrekking hebben op de twee polen op een as (links-rechts), schaal (temperatuur) spectrum (licht), maar ook op lichaamsdelen (handen, voeten, neus), etc. Extreem veronderstelt dus een centrum of midden, en het is het midden dat bepaalt wat de extremen zijn. Zo ook in de politiek. De toevoeging -isme of -istisch verwijst naar een ideologie of stroming, zoals in humanisme of socialisme. Extremisme zou dan dus een ideologie zijn die gelooft in het uiterste; een rare kwalificatie, die natuurlijk niet aangehangen wordt door de personen in kwestie, maar opgeplakt door anderen, die zichzelf als het redelijke midden beschouwen. Zogeheten moslim-extremisten en rechts-extremisten vinden zichzelf vast niet zo extreem.

De tweede vraag is: zijn radicaal en extremistisch synoniem? Radicaal komt van het Grieks en Latijn voor wortel (radices / radix), en heeft connotaties met oorspronkelijk, authentiek, integer, recht, zuiver, puriteins, back to the roots, terug naar de essentie, etc. Het ligt qua betekenis dus dichter in de buurt van principieel of fundamenteel, dan van extreem (of extremistisch). D66 is (of was) radicaal democratisch (democratisering van het politieke stelsel was hun voornaamste speerpunt), maar toch niet extreem te noemen. Sommigen hebben een radicale opvatting over vrijheid van meningsuiting (dat het onder alle omstandigheden moet gelden voor alle mogelijke meningen), maar dat maakt hen nog niet extremistisch. N.B: er is een fundamenteel verschil tussen het verdedigen van het recht op vrijheid van meningsuiting, en het verdedigen van een bepaalde mening.

Het is vaak geopperd dat het probleem met de islam, en dan met name de radicalisering ervan, zou zijn dat het te conservatief is. Er zou een emancipatorische en reformatorische beweging nodig zijn, zoals Luther, Calvijn en Erasmus geïnstigeerd hebben in katholiek Europa. Nu moet gezegd worden dat de islam vanaf haar ontstaan al een protestantser karakter heeft dan het katholicisme: het monotheïsme is strikter (geen 3-eenheid, geen heiligen), geen afbeeldingen van god en zijn schepping, Jezus en Mohammed zijn profeten (mensen) en niet de zoon van god, soberheid is een deugd, er is geen sprake van een centrale hiërarchische kerk (als het Vaticaan) en bijbehorende clerus (paus, bisschoppen, kardinalen) die de gehele geloofsgemeenschap representeert, en de wet dient in gebaseerd te zijn op de rechtvaardige religieuze moraal en niet op een compromis voortkomend uit een strijd tussen partijen die hun belangen behartigd willen zien. Maar afgezien hiervan:

De moslimwereld maakt al een reformatie door, en de belangrijkste hervormers zijn Ibn Wahab en Said Qutb, de grondleggers van het hedendaagse islamitische fundamentalisme. Net als de volgelingen van Luther en Calvijn, wijzen de islamitische hervormers de interpretaties van voorafgaande generaties aan schriftgeleerden af in ruil voor het woord van Allah, te vinden door het rechtstreeks bestuderen van de Koran.

Samuel Huntington (Clash of Civilizations, 1993) maakte een provocerende vergelijking tussen de Reformatie in de zestiende eeuw en de hervormende rol die de islam op het westerse moderniteitbegrip zou gaan hebben. De opkomst van de islam en de machtsovername van Khomeini in 1979 vormde een eerste symptoom van een mondiaal transformatieproces, dat meer met een crisis van de westerse moderniteit dan met de islam zelf van doen had. De val van het Oostblok en de moderne export van vrijheid, kapitalisme en democratie heeft een gedespiritualiseerd universum opgeleverd van moreel relativisme en extreem consumentisme. Achteraf bezien duidde de nieuwe hang naar spiritualiteit die in de islam tot uiting kwam niet op een vlucht uit de wereld, maar op een diepgevoelde behoefte om een onrechtvaardige wereld radicaal te veranderen.

Daarbij komt dat, behalve de economische en culturele invloed van het westen, vooral ook de opportunistische politieke en militaire invloed van de V.S. op het wereldtoneel veel niet-westerse landen een doorn in het oog is. Wie steunde de totalitaire sjah van Iran? Wie steunde Sadam Hussain toen de sjah onttroond was? Wie steunde de Mujahideen in Afghanistan, en liet ze na de oorlog tegen de Russen aan hun lot over? Wie bombardeerde en bezette Afghanistan toen de Mujahideen zich (onder een nieuwe naam) tegen de V.S. hadden gekeerd? Wie bombardeerde en bezette Irak onder valse voorwendselen en zonder VN-mandaat? Wie steunt de ondemocratische Saudische monarchie? Wie steunt Israel door dik en dun, ook al lappen ze alle VN-resoluties aan hun laars? Wie heeft kernwapens, en staat sommige landen toe deze ook te hebben, maar verbiedt andere landen deze te ontwikkelen? Wie heeft er militaire bases over de hele wereld, waaronder in veel Islamitische landen? De V.S. worden door velen gezien als een vijandelijke staat, met een verdorven ideologie die ze exporteren over de hele wereld, en die corruptie dictatoriale regimes steunt uit louter eigenbelang. Ook buiten de moslim-wereld leven deze sympathieën: ik heb in Zuid-Amerika diverse malen bussen zien rijden met een Bin Laden-sticker.

Radicalisering binnen de islam is een reactie op de destabilisering die de mondiale revolutionaire ontwikkelingen de afgelopen decennia teweeg heeft gebracht, alsook de hegemonie van het Westen en de aanwezigheid van Amerikaanse troepen op islamitisch grondgebied. (Voor een kijkje achter de schermen in de wereld van de Taliban zie de documentaire van Frontline op Youtube). Beeldende verhalen van dergelijke reacties kennen we ook uit de geschiedenis van het christendom: bijv. Jezus die de handelaren uit de tempel verjaagt (Mattheüs 21:12-16), Martin Luther die zijn 95 stellingen op de deuren van de kerk in Wittenberg spijkert in 1517, en de Beeldenstorm van 1566. Luther bekritiseerde de mafia-praktijken van de Roomse kerk (afkopen van zonden). In zijn boek “De Babylonische Gijzeling van de Kerk” maakt hij de vergelijking tussen de Roomse kerk en de verdorvenheid van het Babylonische rijk, dat staat voor hoerigheid, overspeligheid en zonde. Dit beeld van Babylon wordt in bepaalde christelijke stromingen (rastafari) toegepast op het beeld van de westerse, blanke, expansionistische, kapitalistische maatschappij. Marx gaf uiting aan deze angst in zijn Communistisch Manifest:

“De heersende ideologie is altijd de ideologie van de heersende klasse geweest. De moderne maatschappij heeft de klassentegenstellingen niet opgeheven, zij heeft slechts nieuwe klassen in plaats van de oude gesteld: die van loonarbeid en kapitaal. In dezelfde mate waarin het kapitaal zich ontwikkelt, ontwikkelt zich een klasse van moderne arbeiders, die alleen kunnen leven als zij arbeid vinden, en die alleen arbeid vinden als hun arbeid het kapitaal vermeerdert. In haar behoefte aan steeds meer afzet voor producten, jaagt het kapitaal over de gehele aardbol. Overal moet zij zich binnendringen, en overal dwingt zij een zogenaamde nieuwe beschaving af: de beschaving van de vrije markt. Zo schept het kapitaal zich een wereld naar haar eigen beeld.”

Het gaat hier dus om ideologieën die opriepen tot bezinning, en verzet tegen aardse verlokkingen, de gecorrumpeerde macht van de status quo en de verloedering van de moraal. Een heilige strijd dus tegen hypocrisie, opportunisme, stuurloosheid en corruptie in zowel de maatschappij als het individu, en tegen de verwording, verwatering en verloochening van een oorspronkelijke essentie of doel (of dat nou het Koninkrijk Gods heette of de klassenloze maatschappij). Ten grondslag aan deze heilige strijd (Jihad) ligt het geloof in de maakbaarheid van de samenleving: in het modelleren van de maatschappij naar een rechtvaardig en moreel juist plan.

Vreemd genoeg omarmt het door en door (protestants)-christelijke Amerika wèl de aardse verlokkingen, en is men daar niet bang voor ongebreideld kapitalisme, maar juist voor regulering en overheidsbemoeienis. Freedom & democracy, oftewel consument en burger, zijn er vrijwel synoniem. In Europa (m.u.v. Italië) zien we de markt over het algemeen nog steeds meer als middel dan als doel, en ongebreideld kapitalisme zelfs als een mogelijke bedreiging voor de democratie.* Het concept burger staat hier altijd nog hoger aangeschreven dan consument. In het islamitische wereldbeeld vormen zowel liberalisme als democratie een bedreiging voor een rechtvaardige en morele samenleving. Democratie accepteert het compromis tussen de partijen, ongeacht de uitkomst (als het maar werkt), en het marktdenken hanteert het criterium: als het maar verkoopt. Beide werken zo willekeur, opportunisme en hypocrisie in de hand. De religieuze moraal is er superieur aan concepten als burgerschap en consumentisme.

Terugkomend op de stelling dat de islam een transformatie zou moeten ondergaan in de trant van een reformatie zoals die in Europa heeft plaatsgehad: Wij beschouwen de Reformatie als het begin van een reeks emancipatorische bewegingen die geleid hebben tot een democratische samenleving. Maar is dat wel terecht? Zijn er geen andere factoren die hier een belangrijkere invloed op gehad hebben, zoals technologische innovatie (boekdrukkunst, industriële revolutie) en economische ontwikkeling? Als maatschappelijke ontwikkelingen (voortgedreven door technologische innovaties en/of veranderende politieke of economische verhoudingen) zich in een stroomversnelling bevinden en instabiliteit veroorzaken, zullen er pogingen gedaan worden om controle te (her)krijgen op de samenleving. Vaak gebeurt dit aan de hand van een manifest of puntenprogramma waarin een visie, en de belangrijkste doelen en waarden geformuleerd staan; soms door daarbij terug te grijpen op een verondersteld verleden (de tijd dat alles nog koek en ei was), soms door te wijzen naar een utopische toekomst. De Reformatie, de Renaissance, de Verlichting en het socialisme zijn allemaal radicale stromingen die zich teweer stelden tegen een (als zodanig ervaren) maatschappelijke verloedering, verwording en teloorgang van een rechtvaardige en morele samenleving.

Dus: moeten we Luther en Calvijn bewieroken als progressieve pioniers van de Verlichting, of eerder als radicale en reactionaire fundamentalisten? En moeten we Marx en Engels zien als de pioniers van de sociaal-democratie, of als vaders van een repressieve maatschappijvorm (stalinisme)? Mijn stelling is: als beide. We moeten ons realiseren dat het gevaar van radicale ideeën altijd is dat ze niet helemaal van deze wereld zijn (maar van de wereld van ideeën en principes), en daardoor ook niet altijd even goed direct toepasbaar zijn. Maar ook moeten we ons realiseren dat het gevaar van het gebrek aan radicale ideeën leidt tot een visieloze maatschappij gebaseerd op willekeur, opportunisme, en hypocrisie, waarin de dingen gaan zoals ze gaan, en er geen plaats is voor kritiek en radicale bezinning op hoe burgers zouden willen dat de dingen gaan; een Berlusconiaanse maatschappij zeg maar.

Wat zegt dit over de Nederlandse politiek? Populistische partijen als de PVV en TON doen zich ook voor als revolutionairen (tegen het pluche), maar het ontbreekt ze aan visie en inhoud, en zijn daarom niet radicaal, maar reactionair: ze reageren vooral. Opportunistisch en fantasieloos scanderen ze hun agendapunten over wat er niet deugt, maar duurzame oplossingen die als basis voor beleid kunnen dienen worden niet geopperd. Wilders zou misschien een manifest aan de deuren van de Linkse Kerk moeten hangen waarin hij zijn visie uit de doeken doet. Echter, het verbieden van `kopvodden´, het laten patrouilleren van stadscommando’s, en het door de knie schieten van allochtone hooligans is wel extreem, maar volstaat niet als visie. Maar je kunt van populisten ook niet verwachten dat ze radicaal zijn: afhankelijk als ze zijn van de opinie van hun verwende en ongeduldige achterban moeten ze a la minuut kunnen inspelen op die markt en de waan van de dag. Bijkomend probleem is echter dat andere partijen zich (wellicht mede uit een eigen gebrek aan visie) gedwongen voelen om in dit populisme mee te gaan (als het niet verkoopt lig je uit de markt). Maar toch zouden veel kiezers het op prijs stellen als politieke partijen radicaler (niet extremer) zouden zijn; d.w.z. duidelijker de essentie van hun programma en hun visie uitdragen, en zich daarmee duidelijker profileren. Het reageren op de waan van de dag (inspelen op de markt), en het aftroeven van de concurrent (onder het mom van: als het maar werkt), wekt bij de kiezer valse verwachtingen, en uiteindelijk cynisme op.

* In zijn boek Jihad versus McWorld stelt Benjamin Barber dat zowel het ongebreidelde kapitalisme als fundamentalistische ideologieën een bedreiging vormen voor de democratie en de open samenleving. Een andere aanrader over dit onderwerp, waarin juist het (neo)liberalisme wordt verdedigd is The Lexus and the Olive Tree van Thomas Friedman.

Rome, april 2005
Rome, Italy, 2005 © mirrormundo